Hans Dirk van Hoogstraten

Voordracht 4/11/’14 tijdens een Bonhoeffer Symposium in de Bergkerk te Amersfoort

Bonhoeffer gay?

een bespreking van en nadere reflectie op

Charles Marsh, Strange Glory: A Life of Dietrich Bonhoeffer (New York 2014)

Bonhoeffer is een controversiële figuur. Dat was hij al tijdens zijn leven en dat is na zijn dood alleen maar erger geworden. Zijn leven en zijn geschriften vielen op. Zij roepen tot op de dag van vandaag discussie op. Vaak gaat die discussie gepaard met veel emoties. Het gaat om levensgrote dilemma’s die zich voordeden in de jaren ‘30 en ‘40 van de vorige eeuw. Vandaag de dag zijn die nog niet verdwenen. Soms verharden dilemma’s zich tot paradoxen in zijn leven en werk. In hem komen tegenstellingen aan het licht die nog altijd in bredere verbanden aanwezig zijn, maar die vaak bedekt worden omdat we er geen raad mee weten.

Ikzelf maakte rond 1970 studie van Bonhoeffers oproep tot niet-religieuze interpretatie van bijbelse en theologische begrippen. Ik constateerde significante veranderingen in Bonhoeffers denken. Zo pleitte hij voor voorrang aan het Oude Testament bij het lezen en interpreteren van het Nieuwe Testament en zo het verhaal van de Joden meer recht te doen. Een doodzonde in die nazitijd. Begrippen als verlossing, opstanding en incarnatie moesten op de (O.T.ische) schop. Dit alles tegen zijn en mijn achtergrond: de moderniteit, de secularisatie, de mondigheid van de wereld en wat al niet meer. Mijn onderzoek had een controversieel karakter. Mijn pleidooi voor discontinuïteit in Bonhoeffers denken werd bestreden. Bonhoeffer zou steeds orthodox gebleven zijn, christocentrisch tot het einde.

Enkele jaren na het voltooien van mijn proefschrift stuitte ik plotseling op iets waarmee ik me niet had bezig gehouden en dat me aanvankelijk irrelevant leek. Een wat oudere bevriende arts die in zijn studententijd actief was geweest in de NCSV zei me dat ‘die Bonhoeffer’ een verdachte figuur was. Hij maakte namelijk deel uit, aldus mijn zegsman, van een homoseksuele kliek. Dat gedoe in Finkenwalde was helemaal niet zo heilig als menigeen dacht. Want, zo sprak hij, wat dacht je van die innige vriendschap met Bethge?

Mijn antwoord was dat het daar helemaal niet om ging en dat ik me met teksten van een verzetsman had bezig gehouden die schitterende nieuwe perspectieven had geopend. Mijn gesprekspartner gniffelde maar wat en mompelde dat ik nu een gewaarschuwd man was. In het gesprek bleek dat de dokter homo’s gewoon niet vertrouwde en wel omdat ze zich tegennatuurlijk gedroegen en dus per definitie achterbaks moesten zijn. Een levensgroot vooroordeel van een overigens weldenkend medicus. Niet ongewoon in die dagen en in die kringen. ‘Niet volgens de regels leven’= onbetrouwbaar, gevaarlijk, besmettelijk.

Inmiddels zijn we enkele decennia verder en mijn dokter is al lang dood en begraven. Hoe zit het echter met de vooroordelen die hij vertegenwoordigde?

Er is groot nieuws in 2014:

-Groot nieuws vorige week: Tim Cook, ceo van Apple, kwam uit de kast als gay in een brief die hij publiceerde in Bloomberg Business Week, waarin hij schrijft: “Ik ben er trots op gay te zijn en ik zie mijn homosexualiteit als het grootste cadeau dat God me heeft gegeven”.

-Groot nieuws in The Wall Street Journal van 30 mei 2014. Christian Wiman schrijft in zijn lange recensie van het boek van Charles Marsh, Strange Glory: A Life of Dietrich Bonhoeffer, dat er in het boek een bommetje ontploft. Hij zegt het zo:

Dietrich Bonhoeffer was gay. Nou ja, dat is niet helemaal precies wat Marsh zegt. Wat hij zegt is dat Bonhoeffer en Bethge, die leraar en leerling waren geweest, een aantal jaren wel heel erg als een koppel leefden: ze deelden een bankrekening, ze deelden onder beider naam geschenken uit, ze reisden samen, ze sliepen bij warme vuren, ze lazen boeken met hartstocht en ze speelden als bezetenen piano op elk uur van de dag. Hun intimiteit was die van geliefden (lovers) en niet die van vrienden.”

Hij voegt er meteen aan toe dat er geen sprake was van consummation (voltooiing, tot het eind gaan) en dat er geen suggestie is dat Bonhoeffer dit actief zou hebben gezocht. “Bonhoeffers relatie met Bethge tendeerde altijd wel naar romantische liefde, kuis maar compleet in zijn complexe aspirations (verlangens).”

Belangrijk? Ja, heel belangrijk als je bedenkt dat het gaat om bekende figuren die een voorbeeldfunctie hebben, met wie mensen zich makkelijk identificeren. Van Tim Cook en Dietrich Bonhoeffer kan niet gezegd worden dat ze zwart waren, arm, vrouw, jood (wie weet?) – wel dat ze gay waren.

Maar dan klinkt de stem van de dokter weer: dat mag toch niet gezegd worden, en als het wordt gezegd dan dalen dezen toch in onze achting? Of is er werkelijk wat veranderd? Zou het kunnen zijn dat de openbaring van Marsh – om me maar even tot Bonhoeffer te beperken – een echte verandering openbaart inzake de maatschappelijke waardering van sexuele geaardheid? Een verandering die inzichten biedt die door vooroordelen eerder niet door konden breken? Dat is inderdaad wat Marsh ons wil duidelijk maken.

In de New York Times van 8 augustus 2014 brengt Randall Balmer hetzelfde punt naar voren in een bespreking onder de titel Between God and the Führer. Hij plaatst de biografie vanaf het begin in een bredere context:

“Nu theologen en filosofen het genocide-karakter van de eeuw die net achter hen ligt goed tot zich hebben laten doordringen, voelen zij zich genoodzaakt om veel van wat ze dachten te weten aan te passen en te corrigeren.”

Bonhoeffer is steeds op zoek geweest naar een embodied (vorm gegeven) , vitaal en dynamisch protestantisme. Het gevaar was dat hij de notie van Koninkrijk Gods in de context van opkomend nationalisme zou interpreteren. Het tegendeel was het geval. In de VS waar Bonhoeffer een jaar verbleef leerde hij te kiezen voor onderdrukten en gemarginaliseerden. Terug in Duitsland koos hij, met een scherp oog voor de slachtoffers van het pure kwaad dat de nazi’s aanrichtten, voor een antikerk. Daarmee was, zo proclameerde hij, Christus verbonden en kreeg hij gestalte. Toen op 7 april 1933 de Ariërparagraaf door de Reichstag werd aangenomen was de maat vol. Voor Barth nog niet omdat ‘we nog even moeten afwachten wat de gevolgen zijn’. Bonhoeffer antwoordde: de gevolgen worden al volop ondervonden door Joden en Joodse christenen.

Aan die antikerk beweging ging Bonhoeffer vorm geven als leider van de Bekennende Kirche toen hij een seminarie voor dissidente predikanten in opleiding organiseerde, Finkenwalde. In deze broederschap van studie, viering, meditatie en contemplatie ontwikkelde Bonhoeffer, zoals Balmer zegt, “een levenslange, homo-erotische relatie met een student, Eberhard Bethge, ofschoon Marsh benadrukt dat het er kuis aan toeging.”

Inderdaad komt dit gegeven steeds terug in het werk van Marsh. Als een rode draad is het door de 400 pagina’s lange tekst heen geweven. Maar, nogmaals, waarom is dit nu zo belangrijk? Omdat dit motief moet worden begrepen in de context van Bonhoeffers theologische ontwikkeling (Werdegang). Bethge heeft eens gezegd dat de jonge Bonhoeffer theologie ging studeren omdat hij zo eenzaam was en verlangend. Hij zocht de socialiteit van het geloof, de Gestaltung van Christus in onderlinge verbondenheid. Hij probeerde de christelijke doctrines niet weg te redeneren maar ze te interpreteren vanuit engagement. Daarbij is het adagium dat het leven voor de leer gaat, de daad voor het woord. Het verlangen naar recht, gerechtigheid en vrede wordt gevoed door het schreeuwende onrecht dat hij ziet. Eerst in de VS met de rassensegregatie, dan in nazi Duitsland ten aanzien van de Joden. En het wordt gevoed door het verlangen naar diepe, intieme verbondenheid met de Vriend. Die valt buiten de burgerlijke maatschappelijke institutionele kaders, zoals het huwelijk. Juist deze houding maakt van Bonhoeffer een buitenbeentje. Hij wil leven als grootburger – denk aan zijn afkomst en opvoeding – met alle morele, esthetische en levensbeschouwelijke aspecten van dien. Tegelijkertijd onderkent hij zijn diepe verlangen naar de vriend. Bij hem kan hij zichzelf zijn, bij hem kan hij zich dissident gedragen. In alle opzichten is dit het geval. Denk aan de brieven uit Verzet en Overgave.

Even een stapje terug. De jonge Bonhoeffer heeft al een onverzadigbare interesse in de betekenis van de mens als individu (hij is zelf een op en top (groot)burgerlijk individu) en als deel of lid van een gemeenschap. De typisch persoonlijke eigenschappen mogen iemand niet afgenomen worden op grond van conventie of ideologie: bloed, bodem, volk, Führer, kerk. Hij is even behendig in het hanteren van filosofische als theologische argumenten. Zijn tweede dissertatie heet Akt und Sein: wat wordt en wat is, ontwikkeling en stilstand. Je moet nooit genoegen nemen met wat ‘nu eenmaal zo is’, maar altijd zoeken naar nieuwe vormen.

Welnu, laten we nu eens aannemen dat Bonhoeffer geboren is met een homoseksuele geaardheid. Zo is hij. Dat maakt Charles Marsh aannemelijk. Ook of juist als hij schrijft over zijn voorgenomen huwelijk met Maria von Wedemeier, beklemtoont Marsh dat zijn genegenheid, zijn passie onveranderd zijn vriend Bethge blijft gelden. Het huwelijk is een grondpeiler van de samenleving, een zogenaamd ‘mandaatgebied’ zoals hij in zijn Ethik schrijft. Daar heerst de plicht en de verantwoordelijkheid en dat is wat de beide echtelieden in de eerste plaats bindt. Maar echte speelruimte wordt geboden door de vrije vriendschap.

Marsh laat zien dat Bonhoeffer op alle mogelijke manieren blijft zoeken naar manieren om die vrije ruimte goed in te vullen.

Bonhoeffer houdt mogelijkheden altijd open, hij houdt van het experiment, ook gedachte-experimenten, door brutale of ongewone vragen te stellen. Zo vraagt hij zich af of wij als theologen willen worden ingedeeld bij een restcategorie van intellectueel onvolwaardigen, en hij stelt in zijn precaire situatie de vraag: zeg me wie Christus vandaag de dag eigenlijk is. En ja, je kunt wel belijden dat Christus de Heer van de wereld is, maar dat zal hij dan toch moeten worden. Vooralsnog hebben we met heel andere ‘heren’ te maken.

Niets is vanzelfsprekend. Als er ooit al sprake was van een religieus a priori in de samenleving, dan is dit nu toch wel verdwenen. Wil je vormgeven aan Christus in je verbondenheid met elkaar, dan zal het criterium: gebed en het doen van gerechtigheid moeten zijn. Wie rechtvaardigheid nastreeft, moet dat doel geheim houden want het wordt in een oogwenk uitgewist door het kwaad dat heerst. Bonhoeffer pleit zelfs voor ‘disciplina arcani’ dat de oerchristenen in het Romeinse Rijk als adagium kenden. Je loopt er niet mee te koop, maar het heeft een explosieve uitwerking.

Marsh laat op alle mogelijke manieren zien dat Bonhoeffer blijft zoeken. In een tijd dat homosexualiteit niet getolereerd werd, ook niet door zijn eigen normen en waarden stelsel, wist Bonhoeffer zijn briljante geest en zijn heftige emotionele leven in de juiste richting te manoeuvreren. Hij gaf bij voorbeeld toe aan zijn niet uit te houden heimwee in New York. Met zijn terugkeer naar zijn geliefde vriend en alles waar deze voor stond tekende hij op termijn zijn eigen doodsvonnis.

Dit alles werkt direct in op Bonhoeffers interpretatie van geloof, religie en bijbel. Hij is tegen de innerlijkheid en het metafysische gehalte van religie. Dat zet mensen maar vast, hun zijn is bepaald en daar kunnen ze verder niets aan veranderen. Hij pleit voor een autonome geest die vrijelijk mag interpreteren.

Je kunt niet zeggen dat Bonhoeffer het geloof vaarwel zegt, of dat hij vervalt tot een modernistisch rationele kijk op religie en geloof. Geloof is voor hem leven, Jezus navolgen. Vraag je naar Jezus’ transcendentie, dan wijst hij op diens houding, zijn levensweg. Hij gaat vooruit in het er-zijn-voor-anderen. En dat onder de moeilijkste omstandigheden. Hij kiest voor ‘verboden groepen’ die leven op ‘verboden terrein’.

Misschien kan ik samenvattend zeggen: Geloven in Jezus wordt vervangen door je laten leiden of inspireren door het geloof van Jezus. Voor gaan, vooruit lopen, volgen. Het is een en al beweging, nooit gefixeerd, niet statisch maar dynamisch. Gedreven door verlangen, de hilaritas toelaten, de grote vreugde van samen leven en sterven.

Nijmegen, 4 november 2014 H.D. van Hoogstraten