Hans Dirk van Hoogstraten

Verschenen in het kwartaalblad VrijZinnig, jg.5 (2012), nr.3 (thema: 'Natuur en cultuur')

Cultuur als Correctie

Deze zomer bezocht ik de openluchtvoorstelling van Von Glucks opera 'Orfeo ed Euridice'. Adembenemend, deze samenwerking van natuur en cultuur rond, op en in de vijver achter Paleis Soestdijk. In de begeleidende tekst zegt dramaturg Floris Visser: 'Lange tijd schreven de regels van de barok voor dat de natuur moest worden beheerst. Dat leidde tot Franse, geometrische tuinen (zoals bij Versailles en Het Loo) en op het toneel tot gecastreerde zangers. Maar in de tweede helft van de achttiende eeuw kwam daarin verandering. De componist Von Gluck was een van de eersten die natuur uit de barokke vormdwang wilde bevrijden.' De cultuur moet, met andere woorden, nu eens ophouden de natuur haar wil op te leggen.

Religie heeft er een handje van de natuur naar haar hand te zetten

Een mooie doelstelling, maar is ze haalbaar? In de paleistuin kwam deze opera qua vorm een heel eind, maar in het algemeen is het mensen eigen om de natuur zo veel mogelijk in toom te houden en uit te buiten. Of haar strenge wetten te ontkennen door wonderen te verwachten. Cultuur en religie liggen dan in elkaars verlengde. Religie heeft er een handje van de natuur naar haar hand te zetten. Wil de cultuur daar vrij van blijven, dan zal zij haar liaison met religie moeten temperen. Eenvoudig is dat niet, maar het kan. De westerse geschiedenis zit vol voorbeelden. Eerst nu wat meer over die liaison, dan enkele voorbeelden van verzet ertegen, en tenslotte een kritische notitie.

Natuurlijke gegevens gecorrigeerd

Oude mythen geven de mens troost omdat ingegrepen wordt in de natuurlijke gang van zaken. Zo kun je het verhaal van Orpheus en Euridice zien als een correctie van de bitter-natuurlijke werkelijkheid van de dood. De zanger weet door zijn kunst toegang tot het dodenrijk te krijgen en daar zijn gestorven bruid bijna tot leven te wekken. De opera doet er nog een schepje bovenop: Amor, de God van de liefde, verenigt de geliefden en ze leven nog lang en gelukkig. Liefde moet sterker zijn dan de dood. Zo kan cultuur natuur naar haar hand zetten.

In de monotheistische religies gaat het niet echt anders toe. Geloof in leven na de dood, vaak in combinatie met de opstanding der doden aan het eind van de geschiedenis, garandeert een lang - eeuwig - en gelukkig leven. Althans voor hen die het oordeel van God 'overleven'. Het oordeel over het ooit geleefde leven staat centraal. Ook hier is de liefde (van God) sterker dan de dood. Verstokte zondaren sterven de definitieve dood. Is hier nog plaats voor de dood als natuurlijk gegeven?

Het gaat steeds om betekenisgeving aan de werkelijkheid waarin wij ons bevinden. Dieren en mensen hebben te leven onder natuurlijke condities, maar de mens heeft de mogelijkheid tot fantaseren en interpreteren. En tot onderzoeken. Hij kan tot op grote hoogte de natuur naar zijn hand zetten. Als in de westerse samenleving religie langzaam maar zeker van het toneel verdwijnt, blijven wens en noodzaak tot interpretatie bestaan. Het gesprek over de dood is nog niet verstomd. Mythe en religie hebben plaats moeten maken voor medische mogelijkheden. De wens om de natuur een stap voor te blijven blijft onverkort bestaan.

Van religie naar cultuur

Historisch gezien leverden filosofen een formidabele prestatie door zich los te denken van de religie als allesoverheersend interpretatieschema van de werkelijkheid. Dit proces voltrok zich langzaam maar zeker, waarbij de verhouding tot de natuur voortdurend meespeelde[1]. Zo werd een strikt hierarchisch schema van gemeenschapsopbouw dat aan de natuurlijke ordening der dingen werd ontleend verlaten. Zo kon Rousseau de goede mens, opgeleid tot verantwoordelijkheid, plaatsen tegenover de eeuwige zondaar die totaal van God en diens vertegenwoordigers afhankelijk is. Zo kon een democratische besluitvorming als grondprincipe voor de opbouw van gemeenschap gaan gelden en daarmee het absolute soevereine gezag om zeep helpen. Zo ontstond ruimte voor openbaarheid en openheid. Zo werd een verschuiving van religie naar cultuur zichtbaar: cultuur als mogelijkheid en ruimte om de menselijke verbeelding te koppelen aan denken en voelen, zonder ontkenning van natuurlijke mogelijkheden en beperkingen.

Vrijheid speelt hierbij een hoofdrol. Maar wat als die vrijheid misbruikt wordt? Als denken en voelen gebruikt worden om de natuur te verkrachten? Als het 'welbegrepen eigenbelang' op de troon wordt gezet en geld de regulator wordt tussen mens en natuur?

Met die vragen was 'het denkende deel van de mensheid' volop bezig toen de islam zich meldde als factor in de westerse samenleving die niet over het hoofd kon worden gezien. Plotseling kwam een oud scheme of things dat zelfs in de Nederlandse biblebelt bijna tot het verleden behoorde, weer prominent naar voren. Culturele uitingen werden bekeken en onder kritiek gesteld met de blik van boven[2]. Het begon met Salman Rushdie en via Theo van Gogh, Gregorius Nekschot, Irshad Manji en vele anderen komt de boodschap tot het vrije Westen dat er geen sprake kan zijn van vrije culturele uitingen. Hiermee wordt ook de natuur weer gegijzeld. Om slechts een voorbeeld te noemen: de - vermeend natuurlijke - verschillen tussen man en vrouw resulteren in posities die wel erg 'van boven' komen.

Het punt is niet meer hoe de ene religie op de andere reageert, maar hoe de religies samen kunnen streven naar een vrije cultuur.

Het boek 'Van Harem tot Fitna' (zie kader) geeft in extenso de beelden van en de reacties op de islam weer. Het begint overzee en het eindigt binnen onze landsgrenzen. Kolonialen, katholieken, protestanten (onder wie de 'neobarthianen' het nogal moeten ontgelden), islamologen, politici en filosofen komen aan het woord. Omdat hierbij een harmoniemodel wordt gehanteerd zoals dat in Nederland bij voorbeeld door de arabist Anton Wessels met een sharia-achtige heftigheid wordt verkondigd, kunnen de werkelijke problemen niet aan de orde komen. Het centrale probleem van de verhouding natuur - cultuur - religie wordt niet expliciet gethematiseerd en daardoor schiet het project zijn doel voorbij.

Het punt is niet meer hoe de ene religie op de andere reageert, maar hoe de religies samen kunnen streven naar een vrije cultuur. Die is immers noodzakelijk om de natuur te redden van de ondergang die haar bedreigt door de zware druk die de moderne mens op haar legt. Mij lijkt het noodzakelijk dat religieuze stromingen - christelijk, joods, islam en zo verder - onder kritiek staan als ze genoemde vrije cultuur in de weg zitten.

Wie die kritiek moet leveren? Om te beginnen, zou ik zeggen, vrijzinnigen...

Van Harem tot Fitna

Onder deze titel publiceerden Marcel Poorthuis en Theo Salemink in 2011 hun studie 'over de beeldvorming van de islam in Nederland 1848-2010' (ondertitel) bij de Valkhof Pers in Nijmegen. 700 pagina's resultaten van het napluizen van missie- en zendingbladen, kranten- en tijdschriftartikelen, boeken en internet. Dit monnikenwerk werd verricht door twee theologen van de Universiteit van Tilburg, die eerder al soortgelijke lijsten met reacties op jodendom en boeddhisme het licht deden zien. Het register en de literatuurlijst maken dit boek bruikbaar als naslagwerk. Als betrouwbare en overzichtelijke gids om inzicht te krijgen in de rol van religie in onze tijd schiet het echter te kort. Betrouwbaarheid: bij de bespreking van het materiaal gaan de schrijvers eclectisch te werk, waarbij aan de teksten vaak nauwelijks recht wordt gedaan. En overzichtelijkheid: rijp en groen, begrepen en onbegrepen wordt langs de katholieke bagagescanner gevoerd. Het een mag passeren, het andere niet. Waarom? God mag het weten. Dit moet anders kunnen. Bij voorbeeld door als centrale vraagstelling de verhouding natuur-cultuur te hanteren - om in de sfeer van dit nummer van VrijZinnig te blijven.

Hans Dirk van Hoogstraten

[1] Vergelijkende godsdienststudies, juist als ze beeldvorming als focus hebben, zouden moeten gaan over de rol van godsdiensten in dit proces. Het spraakmakende boek (zie kader) dat ik verderop aan de orde stel, gaat helaas anders te werk.
[2] I.t.t. Bonhoeffers beroemde oproep de cultuur 'mit dem Blick von unten' te bekijken, vanuit de onderkant van de samenleving.