Hans Dirk van Hoogstraten

Zie ook:Woord en wederwoord: voortgezette discussie Vrijzinnig.

Discussie Islambeelden

In het septembernummer van VrijZinnig, dat als thema ‘Natuur en cultuur’ had, schreef ik ( Hans Dirk van Hoogstraten) over 'Cultuur als correctie van religie'.Het leek me een belangrijke vrijzinnige gedachte dat de religie ontheven wordt van haar heerschappij over onze emoties en gedachten.

De mens moet zich als cultureel wezen dat onderdeel is van een natuurlijk systeem vrij kunnen bewegen. Om dat te bereiken is in het Westen veel werk verzet.

Maar ziet, net toen de secularisering echt vruchten begon af te werpen, bij voorbeeld op het gebied van de scheiding van kerk en staat, kwam de islam de westerse wereld binnen. Die verstoorde het proces van vrijmaking danig. Naar mijn mening zou dit element in vergelijkingen van religies als uitgangspunt moeten dienen. Voor alle duidelijkheid: mijn kritiek op de islam verschilt niet van de kritiek die ik heb op de dominante positie van religie in het algemeen. Ik vind dat je daar niet flauw in moet zijn. Linksom of rechtsom, kritiek op religieuze stelsels die mensen afhankelijk willen houden moet helder en duidelijk klinken.

Als voorbeeld van een boek dat niet tot een duidelijke keuze komt noemde ik Van Harem tot Fitna van Marcel Poorthuis en Theo Salemink. Zij bespreken de beeldvorming van de islam in Nederland van 1848 - 2010. Ik schreef daarover o.a. dat allerlei geschriften 'langs de katholieke bagagescanner worden gevoerd'.

Dat schoot bij de schrijvers in het verkeerde keelgat. Zij stuurden de redactie een mail met de volgende tekst:


Geachte redactie,

Dat kunnen wij van vrijzinnigen met hun open mind nauwelijks aannemen

De recensie van ons boek Van harem tot fitna in uw blad VrijZinnig van september 2012 heeft ons, Theo Salemink en ondergetekende verbaasd. De recensent (wiens naam wij op onze copie niet konden ontdekken) wekt de suggestie dat wij allerhande islamologen hebben gemeten met de maat van het katholicisme. Een wonderlijke gedachte! Het zijn immers Slomp, Wessels, Mulder, Speelman en anderen zelf geweest die in de Abrahamitische verbondenheid zoals op het tweede Vaticaans concilie uitgedrukt, een nieuwe weg hebben gevonden. Ook waren het protestantse voorlieden zelf die afscheid genomen hebben van Barth en Kraemer als het ging om een adequate benadering van andere religies. Bovendien laten wij zien dat juist een meer Barthiaanse inslag een sterke kritiek op het kolonialisme mogelijk maakte. Ook laten we zien (tot verdriet van dezelfde Wessels en anderen) dat hier en daar de islam vergoelijkend wordt tegemoet getreden door islamologen in het blad Begrip (zowel rk als protestant). Ook laten wij zien hoe de belangrijke katholieke missioloog Camps zo sterk in de fout gaat dat hij Mao als messiaanse gestalte ziet! Dan is er nog ons signalement van het huiveringwekkende zeer Roomse kinderboek Naomi de martelares, dat wel als meest anti-islamitisch en anti-arabisch te boek kan staan. Kortom, wij staan voor een raadsel. Of is het toch onze zeer kritische bespreking van Hans Dirk Hoogstraten, wiens visie op de islam zonder meer een categorische afwijzing inhoudt, en die redacteur is van uw blad? Dat kunnen wij van vrijzinnigen met hun open mind nauwelijks aannemen.

Wij zien derhalve uit naar een echte gedachtewisseling.

Marcel Poorthuis,
Faculteit Katholieke Theologie, Universiteit van Tilburg


Prof. Poorthuis spreekt zijn verbazing uit over de suggestie als zouden Salemink en hij ‘allerhande islamologen hebben gemeten met de maat van het katholicisme’. Hebben we niet geschreven, aldus de schrijver, over protestanten die dingen juist overnemen van het katholicisme, zoals de gedachte dat we inzake jodendom, christendom en islam, met drie Abrahamitische godsdiensten te maken hebben? Zijn we niet kritisch op fundamentalistische katholieken? Hoezo dan die katholieke bagagescanner?

Ik bedoelde iets anders. Zoals ik zei heb ik problemen met alle onkritisch-religieuze geluiden, om het even of het joodse, protestantse, islamitische of katholieke geluiden betreft. Deze auteurs gaan uit van een begrip van religie zonder hun eigen katholieke identiteit te problematiseren (de ondertekening is veelzeggend: 'Faculteit Katholieke Theologie'). Daarom die 'katholieke bagagescanner'. Als ik de gereformeerde Anton Wessels had genoemd, dan waren de roentgenstralen wat gereformeerder uitgevallen. Tja, een metafoor heeft zijn grenzen, maar dat doet niets af aan de waarheid er achter. Die waarheid betreft een onkritisch omgaan met de eigen traditie. Het is de zelfkritiek die de islamkritiek moet dragen. Zo niet, dan blijft het pappen en nathouden en harmonie verkondigen waar geen harmonie is. Dat lijkt mij strijdig met het vrijzinnig gedachtegoed.

Neem deze opmerking uit de slotbeschouwing (p.611): “Toch blijft de bijdrage van de religie aan de samenleving van groot belang: burgerschap, gemeenschapszin, zorg voor de heiligheid van het menselijk leven, ethische bezinning, opvoeding tot verantwoordelijkheid, spiritualiteit van de schepping, het zijn slechts enkele onderwerpen waarmee onze samenleving worstelt en waarbij de bijdrage van de religies niet gemist kan worden.” Op zich mooi gezegd en niets op aan te merken, ware het niet dat nu net de Katholieke Kerk met haar luid verkondigde ‘leer’ - denk alleen al aan de vele encyclieken - op veel van deze gebieden averechts heeft gewerkt. Althans voor mensen die de vrij(zinnig)heid hoog in het vaandel hebben staan. Geen woord daarover in deze studie. Integendeel, de schrijvers zijn van mening dat hun beschrijving en catalogisering van de soorten beelden op zich leerzaam zijn voor katholieken, protestanten en atheïsten - plus de nodige subcategorieën.

Ik denk dat heel andere factoren de eigen identiteit profileren, zoals bij voorbeeld de historische verwevenheid van politiek, religie en moraal.

Meteen aan het begin laten de auteurs geen twijfel bestaan over de impliciete consequenties van de door hen gebruikte methode: “Deze beelden laten zien hoe de Nederlander gedurende anderhalve eeuw de islam heeft waargenomen. Ze onthullen echter ook - en misschien nog meer - hoe de Nederlander zichzelf heeft waargenomen. In de beeldvorming van ‘de ander’ wordt immers de eigen identiteit geprofileerd, soms in analogie, vaker in contrast.” (13) Zou het? Ik denk dat heel andere factoren de eigen identiteit profileren, zoals bij voorbeeld de historische verwevenheid van politiek, religie en moraal.

Ten gevolge van dit uitgangspunt gaan de auteurs bij de bespreking en analyse van teksten sterk eclectisch te werk. Ik bedoel daarmee dat ze accenten aanbrengen die in hun kraam te pas komen. Daarmee doen ze de auteurs die ze behandelen vaak onrecht.

Enkele voorbeelden

Omdat in Van harem tot fitna een groot aantal islam-commentatoren de revue passeert, is het niet zo makkelijk de vinger op de zere plek te leggen. Ik kies voor drie voorbeelden van schrijvers die te kort worden gedaan, of, erger, verkeerd worden geinterpreteerd. Zij vertegenwoordigen een tendens die ik hekelde in mijn artikel.

Om te beginnen Karl Barth. Hij wordt tal van keren genoemd, maar nergens echt ‘behandeld’. Niet duidelijk wordt dat nu juist Barth sterk de nadruk legde op de scheiding van kerk en staat. Niet slechts in theorie, maar in de politieke praktijk van nazi Duitsland en later in die van de koude oorlog. Hij durfde te zeggen dat de nazi-ideologie door en door religieus was: de politieke leider kreeg als messiaanse figuur goddelijke allures en het uitverkoren ras van ariërs diende andere rassen te vernietigen - als goddelijke opdracht. Barth had uitgesproken theologische èn politieke standpunten. Het weinige dat hij over de islam opmerkte moet van daaruit begrepen worden.

Barthiaanse theologen als Arend van Leeuwen en ikzelf zijn daardoor geïnspireerd. Van Leeuwen krijgt een belangrijke plaats in het boek, maar de nadruk die hij legt op het Russische communisme als een ‘nieuwe islam’ komt niet aan bod. Wel komt de sterke nadruk op het profetisch-joodse denken aan de orde (zie b.v. p. 238) en zijn verwerping van religie, maar wat daar achter zit aan seculier denken, aan materialistische interpretatie van de werkelijkheid, komt niet goed uit de verf. Over het profileren van eigen identiteit gesproken: Van Leeuwen strijdt voor echte democratie en aandacht voor de zwaksten in de samenleving en als zodanig bestrijdt hij het communisme, het kapitaal en … de islam. Allemaal gestalten van een politieke religie waar de scheiding tussen politiek/economie en religie (en dus van kerk en staat) geen gestalte krijgt in het handelen, niet geïmplementeerd wordt in beleid.

Precies dit aspect heb ik in mijn Versteende religie (2007) naar voren gehaald. En precies dit aspect hebben de auteurs bij de bespreking van mijn boek (p. 545-549) gemist. Dat kan geen toeval zijn. Waar gaat het om? Versteende religie heeft twee betekenissen: de herkenbare en de onherkenbare religie. De eerste betekenis is de gemakkelijkste en daarop gaan de onderzoekers in. Ook gebruiken ze de term 'versteende religie' door heel het boek heen: religie die vastligt in protocollen en procedures, in dogmatiek en opgelegde ethiek - opgelegd en verdedigd door een herkenbaar instituut, een kerk of een religieuze gemeenschap.

De tweede betekenis is niet zonder hermeneutische inspanning te herkennen. Hiermee bedoel ik dat je, met de kennis van de invloed van religie in heden en verleden, ethische en economische codes kunt ontcijferen die schijnbaar niets met religie te maken hebben, maar die weldegelijk een religieus verleden hebben. Anders, wat speelser, gezegd: zet Dan Brown met zijn voeten op de grond en met zijn neus de goede kant op en kijk welke sporen religie heeft nagelaten en welke impact religie nog altijd ongezien en ongestraft kan uitoefenen.

Religieuze elementen zijn in versteende vorm overal aanwezig in wetgeving, moraal, cultuur, architectuur, politiek en economie. Voorbeelden? Je kunt tegen uitverkiezing zijn, maar het wereldwijde economische systeem is er wel op gebaseerd. Democratie mag hoog in het vaandel staan, maar een hierarchisch systeem als de Katholieke Kerk verschilt niet veel van transnationale ondernemingen die alleen op de belangen van aandeelhouders letten. In mijn boek Deep Economy (2001) heb ik trachten duidelijk te maken dat de economie als menselijke schepping wel erg veel versteende sporen heeft van Gods zogenaamde scheppingsordinantien - die ik in Versteende religie als zodanig benoem.

Deze voorbeelden mogen volstaan om mijn punt duidelijk te maken. Als je, een heel boek lang, auteurs wilt 'betrappen' op hun islambeelden, dan kun je niet te werk gaan als een journalist die niet verder vraagt naar diepere achtergronden. Zeker niet als je dat doet als theologen die pretenderen met hun studie de identiteit van de door hen onderzochte schrijvers te verhelderen.

Hans Dirk van Hoogstraten


Antwoord aan Hans Dirk van Hoogstraten

Zelfkritiek is een essentiele voorwaarde voor een kritische analyse.

Het is in ieder geval een serieus antwoord dat Hans Dirk van Hoogstraten geeft. Hij probeert nog eens zijn eigen basisvisie over ‘versteende religie’ te verwoorden en van daaruit de analyse in Van Harem tot fitna (2011) te situeren. Zijn goed recht en hij heeft wel degelijk een punt met de tendens van instituties om in de loop van tijd en in de loop van machtsontwikkeling ‘versteend ‘ te raken, d.w.z. niet meer met de tijd mee te gaan en de hakken in het zand te zetten. Hij kritiseert ons boek door het allereerst te verwijten dat er geen zelfkritiek op de katholieke geschiedenis in zou staan. Hij spreekt over een “onkritisch omgaan met de eigen traditie. Het is de zelfkritiek die de islamkritiek moet dragen. Zo niet, dan blijft het pappen en nathouden en harmonie verkondigen waar geen harmonie is. Dat lijkt mij strijdig met het vrijzinnig gedachtegoed.” Ook stelt hij “dat nu net de Katholieke Kerk met haar luid verkondigde ‘leer’ - denk alleen al aan de vele encyclieken - op veel van deze gebieden averechts heeft gewerkt. Althans voor mensen die de vrij(zinnig)heid hoog in het vaandel hebben staan. Geen woord daarover in deze studie. Integendeel, de schrijvers zijn van mening dat hun beschrijving en catalogisering van de soorten beelden op zich leerzaam zijn voor katholieken, protestanten en atheïsten - plus de nodige subcategorieën.”. Ik geef Van Hoogstraten volledig gelijk. Zelfkritiek is een essentiële voorwaarde voor een kritische analyse. Nu is het altijd moeilijk om een lezer te overtuigen dat hij het verkeerd gelezen heeft. Dat blijft altijd een vorm van apologie. De toon is gezet. Maar ik doe toch een poging en voer twee argumenten aan. In Van harem tot fitna wordt in ieder geval tot in detail en in honderden bladzijdes de oude katholieke visie uit de ultramontaanse tijd onder het mes gelegd, de tijd van missie en exclusieve waarheidsopvatting. Eindeloos citeren we uit missiebladen en andere katholieke bronnen om zichtbaar te maken dat in die katholieke traditie een religieus anti-islamisme opgeslagen ligt. En het zal de lezer niet ontgaan dat we daarmee niet gelukkig zijn. Bovendien moet dit boek Van harem tot fitna gezien worden als het derde deel van een trilogie over ‘beeldvorming over de anderen’. In het eerste deel Een donkere spiegel (2006) ging het over de beeldvorming over joden in de katholieke wereld, duizend bladzijden lang en exclusief over de katholieke wereld. Daarin pogen we, inderdaad zelfkritisch, op het spoor te komen van het antisemitisme in katholieke kring in Nederland en pogen we zichtbaar te maken hoe dit antisemitisme geworteld is in een diepe denkstructuur van de katholieke kerk (godsmoord, substitutie, vijanddenken). Het tweede deel ging over de beeldvorming over het boeddhisme in Nederland sinds het midden van de 19e eeuw: Lotus in de Lage Landen (2009). Deze trilogie moet te samen genomen worden. In alle drie boeken proberen we juist ook de katholieke denktradities ‘over de anderen’ bloot te leggen, ook en vaak vooral in hun negatieve, exclusieve vorm.

Er is een tweede tegenwerping mogelijk. Ons onderzoek poogt niet een theologische analyse sec te geven, maar is allereerst en vooral een historische analyse. En feiten liegen niet, tenzij wij Stapel heten. Wat zeggen de bronnen? Hoe moet je de historische werkelijkheid van de katholieke kerk in Nederland in anderhalve eeuw duiden? Dan gaat het niet om de vraag of het al dan niet een versteende religie is, maar om de vraag hoe sterk antisemitisme en anti-islamisme in de katholieke kerkgeschiedenis aanwezig was in Nederland en of dat al dan niet afwijkt van het internationale patroon. Wat betreft het antisemitisme constateerden we dat dit in de katholieke kerk in Nederland zeer zeker voorkwam, maar dat het tot onze eigen verrassing minder voorkwam dan in omringende landen, tenminste als we afgaan op de geschreven bronnen. Bovendien bleek dat al vanaf het einde van de 19e eeuw er binnen de katholieke wereld een sterke kritiek was op het politiek en raciaal antisemitisme en op de invloed daarvan in katholieke kring. Deze kritiek werd met name geuit door de leiding van de katholieke zuil en later ook van de kerk (bv. aartsbisschop Jan de Jong die in de oorlog publiek protesteerde tegen de deportatie van de joden en niet enkel katholieke joden). Wij hebben die voor ons onverwachtse uitkomst verbonden met de afwijkende geschiedenis van de katholieke minderheid in Nederland sinds de Reformatie. Ze waren lang net als de joden een achtergestelde minderheid en herkenden daardoor anders dan katholieken in Duitsland of Frankrijk eerder het gevaar van een vervolging van een joodse minderheid in de 20e eeuw. Overigens bleef toen het religieus-antisemitisme in deze kring wel overeind, ondanks de kritiek op het politieke antisemitisme. Een historische analyse heeft oog voor de meervoudigheid van de werkelijkheid, anders dan een vrijzinnige analyse. We hebben daarna ook in kaart gebracht wanneer en waar ook het religieus antisemitisme in katholieke kring in Nederland verdween. Eenzelfde procedure hebben we toegepast in ons boek Van harem tot fitna. Ook hier hebben we eerst de oude traditie van anti-islamisme in katholieke kring in kaart gebracht en gezien dat hier anders dan bij het antisemitisme de Nederlandse katholieken niet afweken van de internationale tendensen. Een religieus anti-islamisme domineerde de publieke bronnen. We hebben daarna in kaart gebracht wanneer en waar dit religieus anti-islamisme vervangen werd door een nieuw denken over dialoog en kritiek op het politieke anti-islamisme. We hebben bovendien deze conjunctuur vergeleken met de conjunctuur in protestantse kring, in socialistische en liberale kring. Zo is onze weg. De zelfkritiek betreft de katholieke kerk, maar ook de hele christelijke traditie. Incluis de protestantse, incluis de vrijzinnige. Dat de geschiedenis laat zien dat zelfs de katholieke kerk als instituut niet altijd en overal op dezelfde manier een ‘versteend instituut’ is zou theologen tot denken moeten aanzetten, niet tot oordelen en veroordelen.

Wat betreft Barth en Arend van Leeuwen. Ik sta zelf in hun traditie. Ik ben een leerling van Arend van Leeuwen en tot zijn dood bevriend gebleven. En ook voor Barth heb ik altijd een zwak gehad, precies vanwege zijn afkeer van elk confessionalisme en elke vorm van bindestrich-christendom. Ook vanwege zijn vroege kritiek op het nationaal-socialisme (Belijdende Kerk), ook al had hij in het begin geen oog voor de betekenis van de jodenvervolging in Duitsland, zeker voor de theologische impact daarvan (Barmer Thesen). Arend van Leeuwen heeft een fundamentele bijdrage geleverd aan de ontmaskering van de ‘ideologie’ van het kapitalisme en de Westerse burgerlijke maatschappij (De Nacht van het Kapitaal). Maar ook hier is een historische benadering van belang. Dat hij in zijn later leven, overigens in zekere zin afstand nemend van Barth, zo’n belangrijke ontmaskerende functie gehad heeft, betekent nog niet dat hij in een eerdere fase van zijn leven dat ook gedaan heeft ten opzichte van de ideologie over de islam. In zijn eerste periode kort na de oorlog was hij islamoloog en Barthiaan. En net als Barth had hij een exclusieve visie op ‘geloof’ tegenover ‘religie’ en in die fase vielen zowel islam als katholicisme onder het verdict een ‘religie’ te zijn. Ik weet dat de visie van deze twee giganten van het intellect gecompliceerd en dialectisch is, maar ik meen dat op paradigmatisch niveau in dit denken ook een zwakke plek zit. Er blijft een exclusieve rangorde overeind, bij Barth sterk christologisch gericht. Hun denkmodel maakt het moeilijk om de islam op een positieve wijze als ‘geloof’ te zien en als evenwaardig met het christelijk geloof. De islam blijft in hun ogen vooral een religie, net als het katholicisme. Dat is een legitieme keuze van denken, maar vanuit de vraag naar ‘beeldvorming over de anderen’ ook een problematische. Lees onze uitvoerige analyses er op na en kijk niet enkel naar de soms meer theologische slotbeschouwingen. Deze visie van Barth en vooral Van Leeuwen heeft mij verrast. Ik had er graag met hem over gesproken. Met name over de vraag of hij later deze exclusieve visie getemperd heeft. In iedere geval speelt in zijn ‘economische fase’ het Barthiaanse onderscheid tussen geloof en religie minder een rol, denk ik.

Eeuwigheid bestaat niet, enkel geschiedenis, ook voor katholieken.

Dit is allemaal geen overtuigend bewijs dat Hans Dirk van Hoogstraten ongelijk heeft. Het gaat mij niet om gelijk of ongelijk, om theologie - wellicht ligt dat voor Marcel Poorthuis iets anders - maar om een afweging van de gevolgde methode en de daaruit voortvloeiende resultaten. Daarom dit antwoord. Beschouw Van harem tot fitna als deel van een trilogie en beoordeel het daarop. Heb oog voor de historische analyse, die ook aan de theologie kritische vragen aanreikt. Heb ook oog voor de problematische kanten van het ‘exclusieve model’ van denken bij Barth en de jonge Van Leeuwen. Heb oog voor de zelfkritische analyse van de katholieke traditie in Nederland, in vergelijking met andere landen en andere tradities. Het gaat in dit boek niet om versteende religies, maar om historische religies die veranderen en soms ook oude fouten herstellen. Zelfs katholieke tradities. Bijvoorbeeld de verklaring Nostra Aetate van het concilie Vaticanum II (1962-1965) waarin zowel jodendom als islam voor het eerst door de katholieke leiding als een gesprekspartner aanvaard worden en waarin op conciliair niveau een exclusieve openbaringstheologie gerelativeerd wordt. Of dat voor de eeuwigheid is? Eeuwigheid bestaat niet, enkel geschiedenis, ook voor katholieken.

Theo Salemink
Historicus en theoloog


Antwoord van Hans Dirk van Hoogstraten aan Theo Salemink

Als redacteur van VrijZinnig beperk ik mij in mijn antwoord op de uitvoerige reactie van Theo Salemink tot enkele punten die voor de lezer van het blad interessant zouden kunnen zijn. Uitgangspunt is hierbij een uitspraak van Frank Kalshoven in de Volkskrant van 8/12/12: “Interesse in het denken van de ander is een voorwaarde voor goed debat”. Voldoen wij, de schrijvers van Van harem tot fitna en ik als commentator aan deze voorwaarde? Ik denk het wel. De mooie reactie van Theo Salemink getuigt daarvan. Tegen deze achtergrond dan nog de volgende punten:

1. Salemink zegt met een kwinkslag: “Een historische analyse heeft oog voor de meervoudigheid van de werkelijkheid, anders dan een vrijzinnige analyse”. Dat is zeer de vraag. Was het niet de vrijzinnige analyse die in de 19de eeuw de historisch-kritische benadering van de bijbel bevorderde? In verband hiermee:

2. Als gezegd wordt “En feiten liegen niet, tenzij we Stapel heten. Wat zeggen de bronnen?” moet men zich afvragen wat nu precies de feiten zijn in dit boek (we hebben het over dit boek; zie volgende punt). Er worden “1000 en enige” teksten behandeld. Maar teksten zijn toch geen feiten? Tja, fundamentalisten denken van wel, zeker als het gaat om heilige teksten. Maar heus, “er staat niet wat er staat”. Teksten vragen om interpretatie. De enige feiten waarover we het kunnen hebben zijn de selectie, de presentatie en de interpretatie die Poorthuis en Salemink geven. Die feiten nu, acht ik ten dele aanvechtbaar - zelfs al heten de schrijvers geen Stapel.

3. Ik lees dat de lezer van Van harem tot fitna eigenlijk ook de andere delen van de trilogie moet hebben gelezen om methode en werkwijze helemaal te kunnen doorgronden. Dat is letterlijk wat veel gevraagd. Bovendien vind ik het een zwaktebod. We hebben het over dit boek en laten we ons daartoe beperken. Als ik nu eerst die andere 1000 en enige bladzijden moet gaan lezen, dan wordt een gesprek over de islamkritiek wel op een erg lange termijn geschoven. Maar er is nog iets:

4. Hier zit een addertje onder het gras. Ik denk dat je antisemitisme en kritiek op de islam zorgvuldig moet scheiden. In mijn boek Versteende religie heb ik hiervan werk gemaakt, al was het maar door aan te geven dat in moslimkringen het antisemitisme zeker niet minder welig tiert dan in christelijk milieu. En door plausibel te maken - hierin ben ik overigens bepaald niet uniek - dat jodendom en islam onvergelijkbare grootheden zijn, óók in de “anti-sfeer”.

5. Tenslotte nog de nadruk op het ultramontaanse tijdperk (de paus heeft altijd op iedereen voorrang). Dat is te vergelijken met vrijzinnigen die zich uitlaten over zwaar gereformeerden. Dat kun je toch niet beschouwen als een serieus kritisch omgaan met je eigen traditie? Te makkelijk want te vanzelfsprekend. Te karikaturaal, zou je ook kunnen zeggen. Ik denk, met Salemink, dat bestudering van de verklaring Nostra Aetate (2de Vaticaans Concilie) ons een eind verder zou kunnen helpen.

Nijmegen, 12.12.12