Hans Dirk van Hoogstraten

Filosofie neemt je bij de hand

Verschenen in het kwartaalblad VrijZinnig, jg.1 (2008) nr.3 (thema: ‘Overdracht’)

Beginnen met filosofie

In dit nummer van VrijZinnig (2008/3) staat de vraag centraal 'wat geloven wij wel?' Voor vruchtbare gesprekken over deze vraag kun je te rade gaan bij enkele filosofen die verrassende gezichtspunten bieden. Ik wil graag een goede ervaring met de lezer delen. Op persoonlijke titel uitgenodigde deelnemers genieten van het lezen en bespreken van filosofische teksten. En dat terwijl de meesten daarin nauwelijks enige oefening hadden.

Van de bij de 'intake' uitdrukkelijk afgesproken mogelijkheid om periodiek even niet mee te doen omdat de stof niet bevalt, maakten twee leden kortstondig gebruik. Dat was toen wij al te lang vertoefden in de koortsachtig-geniale wereld van Sloterdijk. Zij keerden terug zodra we met de wat normalere Ferry begonnen. Ik heb het over Peter Sloterdijk, Sferen (Boom, 2003, 950 p.) en Luc Ferry, Beginnen met filosofie (Arbeiderspers, 2007, 259 p.). Sloterdijk kan behoorlijk irriteren door zijn taal vol neologismen en kronkelwegen. Ferry is glashelder, maar rechtlijniger. Beide dragen de religie een warm hart toe en tonen op een echt verrassende manier het grote belang ervan aan. Hier beperk ik me tot de laatste.

Luc Ferry stelt aan de filosofie vragen die ieder mens beroeren. In dit boek is zijn uitgangspunt de angst die - uiteindelijk - voortvloeit uit het bewustzijn te moeten sterven. Drie componenten van de filosofie komen in elk hoofdstuk terug: begrijpen van de werkelijkheid (theorie), verlangen naar rechtvaardigheid (ethiek) en zoeken naar heil (wijsheid). Ferry volgt de door hem vereerde filosoof Kant, die vraagt wat ik kan weten, wat ik moet doen en wat ik mag hopen.

hoe leert de mens te leven?

Onze filosoof en voormalige minister laat zien hoe het christendom troostrijke, vergaande, antwoorden gaf op de heilsvraag. In het premoderne christendom leek het erop dat de oude filosofie 'eindelijk tot haar recht kwam': Plato en Aristoteles gekerstend. Maar als de moderne tijd zich baan breekt, blijkt het sacrificium intellectus te groot. De theorie klopt niet meer en de ethiek komt in het nauw als de heilsvraag almaar meer wordt toegespitst op het individu. Wat Ferry voor ogen staat komt mooi tot uiting in de Franse titel Apprendre à vivre: hoe leert de mens te leven?

Hij laat dan zien dat religie in de loop der eeuwen de antwoorden probeert te formuleren die passen bij de aan tijd en plaats gebonden omstandigheden die de vragen veroorzaakten. Zo gaan de Klassieken uit van een wel-geordende kosmos met vaststaand wereldbeeld. Morele en politieke gedragscodes vloeien voort uit deze metafysica. Renaissance en Verlichting ondergaven het klassieke patroon - zowel de vragen als de antwoorden. Tenslotte is het Nietzsche als postmoderne gangmaker die op zijn beurt de al te harmonische denkbeelden van de verlichtingsperiode te lijf gaat. Als 'filosoof met de hamer' slaat hij alle godsbeelden stuk - ook die van de Verlichting, die vaak niet eens als zodanig herkend worden.

De vier hoofdstukken die deze ontwikkeling schetsen zijn heel leesbaar en ze lenen zich goed voor gesprekken tussen filo-sofisch georiënteerde (wijsheid beminnende) mensen. Ikzelf miste de nodige aandacht voor politieke en vooral economische ontwikkelingen. Die moeten de gespreksdeelnemers maar zelf inbrengen. Bij voorbeeld in het laatste hoofdstuk over deconstructie en een eigentijds humanisme. Hier komt de ondertitel tot zijn recht: 'Met andere ogen kijken naar je leven'. Misschien een vrijzinnig antwoord op de vraag: 'Wat geloven wij wel'?

H.D. van Hoogstraten