Hans Dirk van Hoogstraten

Verschenen in Analecta Bruxellensia 13, Maastricht, Shaker Media, 2008:

H.D. van Hoogstraten

Identiteit en antisemitisme

Wiersma's identiteitsvraag belicht vanuit Freud en Bonhoeffer

Bij het afscheid van Jurjen Wiersma doe ik een voorstel om verder te werken met het materiaal dat hij heeft aangeleverd. Ook - of juist - bij dit afscheid moet de zaak waar deze man voor staat in beweging blijven: het wiel moet blijven draaien. Het zetje dat ik geef moet een zet worden. Anderen moeten helpen. Ik beschouw dit afscheidsartikel dus maar als een onderzoeksvoorstel. Wiersma's meesterschap zal dit voorstel zeker spannender maken dan menig voorstel tot onderzoek dat in 'Brussel' wordt ingediend.
Ik breng een aantal elementen uit - en naar aanleiding van - vijf recente monografieen naar voren. Het zijn:

-Jurjen Wiersma's studie over identiteit (2007)

-René Süss' dissertatie over Luthers antisemitisme (2006)

-Mark Edmundsons pleidooi voor het belang van Freud voor onze tijd (2008)

-Luc Ferry's visie op Nietzsche in zijn bestseller-voorstel tot apprendre à vivre (2007)

-Mijn Bonhoeffer benadering in mijn zes-steden-boek over religie (2007)

Ik ga niet in op de controverses die Süss heeft opgeroepen in Brussel en ver daarbuiten, noch op de eeuwig verdeelde Freuddiscussies. Het gaat mij om het vruchtbare materiaal dat ik zelf met behulp van Wiersma, Süss en Edmundson op het spoor ben gekomen. Een bepaalde combinatie van argumenten, waarbij ook Ferry een woordje meespreekt, maakt een radicale doordenking van religie mogelijk. Radicaal omdat het over de radix, de wortel gaat. De invloed en de plaats van religie in het moderne leven komen aan de orde. En wat de theologie daarvan zou kunnen leren.

1. Nietzsche, Freud en Bonhoeffer

'Nietzsche is een individualist pur sang', merkte een deelnemer aan een filosofiegroep waarvan hij en ik deel uitmaken afkeurend op. Op het verzoek zich nader te verklaren zette hij uiteen dat de mens een door en door sociaal wezen is en dat Nietzsche een achterhaald standpunt inneemt. Dat was bij de bespreking van Der Wille zur Macht, zoals behandeld door Luc Ferry (Ferry, 180).

Deze opmerking vormde de aanzet tot een gesprek dat uitliep op een dubbele conclusie. Ten eerste is het concept van de verantwoordelijke autonome individu een belangrijk gegeven in de Verlichting. Ten tweede heeft bij Nietzsche de wil tot macht in eerste instantie betrekking het individu. De mens krijgt macht over zijn eigen functioneren, zijn driften, zijn neigingen. De Übermensch is alleen van daaruit te begrijpen en te verklaren. Nietzsche geeft het denken over dit kroonjuweel van de Verlichting hiermee een impuls die tot op heden voelbaar is. Freud werkte ermee, maar ook Bonhoeffer en uiteindelijk ook Wiersma. Een negatieve benadering van de term 'individualisme' is achterhaald en gevaarlijk. Recente debatten over religie en iets minder recente over communisme en nazisme geven daar volop blijk van.

Wille zur Macht gaat om macht uitoefenen over jezelf. Een individu worden dat authentiek is omdat het grip op zichzelf heeft. Altijd liggen zelfoverschatting, egocentrisme en zelfs de vlucht in het collectief op de loer. De Führer biedt je een gemakkelijke identiteit, je geeft je vrijheid weg en je krijgt er een vrijheid onder condities voor terug ('Arbeit macht frei'...). Tragischerwijze is nu net dit nietzscheaanse begrip geclaimd door de nazi-ideologie als de wil van de partij en van de Leider. Daarmee krijgt het een betekenis die op een collectief van toepassing is - het tegenovergestelde van wat Nietzsche er mee voor had.

Wiersma biedt enkele belangrijke instrumenten tot een vergelijking van Freuds Der Mann Moses en Bonhoeffers Widerstand und Ergebung. Hij houdt een pleidooi voor flexibiliteit en hij ontwikkelt een ethiek van de identiteit. Ik zal eerst een impressie geven van dit boek. Dan zal ik de consequenties van Wiersma's stellingname betrekken op wat (de oude) Freud en Bonhoeffer schreven over de diepere lagen van hun traditie. Wat brengt deze beide samen - bien étonnés de se trouver ensemble? Zij schreven in dezelfde context van barbarij en ontkenning van de Verlichting. Beide brachten ze de moed op er tegenin te schrijven. Leiderschap en individualiteit worden door hen behoed voor de destructie van de kadaverdiscipline.

Freuds laatste jaren in Wenen en Londen werden grotendeels in beslag genomen door zijn Mozesstudie (Freud 1982) . Hierin reflecteert hij over zijn joodse identiteit, tot op de radix. Eenzelfde radicale benadering van zijn identiteit als luthers christen vinden we bij Bonhoeffer (Bonhoeffer 1970, m.n de brieven vanaf 30 april 1944). René Süss en diens promotor Wiersma brachten mij tot de prangende vraag of Luthers hervorming niet tot een gestolen identiteit heeft geleid. De gevolgen zouden verpletterend zijn. Het Derde Rijk als slotapotheose van een Rijk Gods dat met een misvormde godsvoorstelling dood en verderf zaaide. Maar of de soep zo heet gegeten wordt? Luther is geen Hitler. De discussie moet niet te snel met behulp van oneliners worden (kort)gesloten.

Tot slot keer ik nog een moment terug naar Freud, die de Joodse identiteit wel een heel speciale draai geeft in zijn boek over Mozes. Zo blijft het wiel van de identiteit draaien en kunnen de gevaarlijke aspecten van identiteiten die op rassen, klassen en sekseverschillen gebaseerd zijn - met allerlei theologische begeleidende termen van 'uitverkiezing' tot 'ware gelovigen' als achtergrondmuziek - te kijk worden gezet.

2. Wiersma

Een wiel dat draait pleit voor de verwerkelijking van identiteitsmomenten en route. Ethische beslissingen worden gaandeweg genomen en zo hangen ethiek en identiteitsvorming nauw met elkaar samen. Let op de haakjes in de ondertitel: Over ethiek en identiteits(her)vorming. Alleen bij een vloeiende, bewegelijke opvatting van identiteitsvorming is hervorming mogelijk.

Een starre identiteitsbeleving leidt tot stilstand en de ingenomen standpunten kunnen, als een tijdloze pas op de plaats, onethisch gedrag tot gevolg hebben. Daarom is het van belang om in termen van existentie te denken en niet in die van essentie. Voor het individu betekent dit een weg van gebondenheid naar vrijheid, van verplichte naar gekozen verbanden, van heteronome naar autonome verantwoordelijkheid: "Ging Sartre zijn weg van essentie naar existentie, Levinas ging van l'être à l'autre, van het zijn naar de ander, van de ontologie naar de ethiek, en in de ethiek staat het humanisme van de andere mens centraal." (Wiersma 2007, 219)

Wiersma pleit dan ook voor een breuk met de metafysica, waarbij hij Nietzsche (75,104) met instemming citeert. Deze vocht tegen een Hinterwelt. Als morele subjecten waarheidsschema's hanteren waaraan onder alle omstandigheden moet worden voldaan, dan is de ethiek verstard tot een doodenge opeenhoping van plichten. Bevel is dan bevel. Daartoe kan utilisme evengoed leiden als hedonisme.

Kinese: alles moet in beweging blijven. Het wiel draait om zijn as en de berijder van het voertuig gaat vooruit: cyclisch en lineair. Typisch voor onze samenleving is het bewegende, in metaforische zin de vooruitgang. "In de moderne tijd koos iemand als Kierkegaard, een van de geestelijke voorouders van Simone de Beauvoir, voor de kinese. Het ging hem er om of een individu vooruit kan komen en progressie kan maken." (76)

Daartoe is het spreken met twee woorden van belang: het dialogisch bestaan. Naast Levinas worden ook Buber en Marcel genoemd - en natuurlijk Bonhoeffer. Hier is de toetssteen van de hervorming der identiteit gelegen. Dit dialogische bestaan gaat uit van het sterke individu. Je bent knecht van driften en verhoudingen, maar je kunt een heer-bewustzijn ontwikkelen. Het gaat om heer-zijn in dienstbaarheid. Wiersma komt tot deze slotsom via de heer/knecht dialectiek zoals Hegel die heeft uitgewerkt (187). Ook al komt de psychoanalyse slechts spaarzaam aan bod, hier lezen we over het driftleven en de beheersing ervan. De identiteitsvorming is hier misschien op z'n scherpst.

Theologisch wordt dit mooi getoond in de houding van de profeet die drie dingen zegt tegen zijn opdrachtgever: 'Kijk, hier ben ik' (hineni), 'ik zie het zitten' (imaginatio) en 'ik ga ervoor' (imitatio) (191, 198). Evenzovele uitgangspunten voor een theologisch doordachte ethiek. Overigens komt op mij het theologisch deel van de beschouwingen als vrij traditioneel over. Het wordt niet geheel duidelijk waar onbewegelijke metafysica in de theologie en in de religie precies is aan te wijzen. Terwijl dat toch een belangrijke vraag in verband met bewegelijke identiteitsvorming is: in hoeverre zitten jodendom, christendom en islam, en niet alleen de fundamentalistische en extremistische vormen daarvan, vast aan starre eeuwigheidschema's. Het door Wiersma onderschreven dialektisch-theologische adagium eerst de indicatief en dan de imperatief blijft zo wat zwevend: het hangt er maar net vanaf hoe men de indicatief van het godswoord of de schepping ervaart. Een centrale kwestie in de Bonhoefferreceptie.

Ondertussen levert deze studie een schat aan reflectie over de identiteitsvraag. We hebben te maken met een veel omvattend probleem. Hiervan haal ik nu enkele aspecten naar voren, in de sfeer van de psychoanalyse, religie en politiek, en de onderlinge verbindingslijnen.

3. Freud

Freud schreef zijn boek over Mozes en de monotheistische religie op hoge leeftijd, in een zeer bedreigende periode. Hij zocht naar de wortels van zijn identiteit en vond die in een geheel eigen interpretatie van de stichter van het jodendom: Mozes. Op zijn zoektocht naar de identiteit van de leider paste hij zijn theorieen over vaders en zonen, leiders en volgers - tot en met de mythe van de oerhorde - toe op Mozes.

Wat is dat voor iemand, de echte leider, die anders handelt dan de Führer waarmee hijzelf steeds te maken had gehad in Wenen, waar het grootste deel van het boek werd geschreven? Mooi laat Edmundson zien dat Freuds Mozesbeeld een zelfidentificatie behelst die voor zijn identiteitsbeleving van groot belang is. Het gaat om het goede leiderstype dat hijzelf belichaamt (Edmundson 2008, 145, 151v., 192, 213). Michelangelo's Mozes speelde bij deze ontdekking van Freud een beslissende rol (150).

Mozes was een Egyptenaar van hoge komaf die leefde ten tijde van Echnaton, de farao die een vroege vorm van monotheïsme propageerde. Toen de Egyptenaren in een reactionaire tegenrevolutie het monotheïsme als staatsgodsdienst afschaften, wendde Mozes zich tot de stammen van Israel en bracht hen het oorspronkelijk door de Egyptenaren uitgevonden monotheïsme. Hij leidde hen uit het diensthuis van het polytheïsme, maar ook binnen de stammen ontstonden problemen. Het verlangen naar de polytheïstische, heteronome, 'vleespotten van Egypte' bleek te sterk. Het volk verlangde terug naar de oude afgoden die hun Über-ich konden ontlasten. Daarom vermoordden zij hun leider (182v.). Daarvan kregen ze spijt, hetgeen leidde tot een diepgaande verering van de vermoorde leider. De leidersstijl die bij zijn monotheïsme paste werd in ere hersteld en minutieus onderhouden en onderricht. De leider had de harten van zijn volgelingen nu werkelijk geraakt. Zijn wil werd hun wil en zo incarneerde Mozes in Israel.

Zo namen de Joden Mozes' ideaal van individuele wil en verantwoordelijkheid over die bij het abstracte monotheïsme past. Laat je dit principe los, dan slaat het monotheïsme om in zijn tegendeel omdat vertegenwoordigers van God macht willen over anderen dan over zichzelf. Het gaat echter, in het pure Mozes-monotheïsme, om macht over jezelf, zodat je de ander echt kunt ontvangen en in ontmoetingen ook verantwoordelijkheid kunt nemen voor die ander. Mozes staat voor de uitgebalanceerde mens, gevormd in een lang proces, van generatie op generatie. In Egypte had men kennelijk een humaan leiderschap bereikt. Maar, 'daargelaten wie het monotheïsme het eerste bedacht heeft, het waren de joden die het hebben weten vast te houden' (208).

Hoogst speculatief allemaal - als historische bijdrage kan men het Mozesboek gauw in de hoek zetten. Vanuit de identiteitsvraag gezien echter, is hier sprake van een interessant gegeven. Wat brengt een Jood ertoe om te gaan morrelen aan de oorsprong, de basis van de identiteit van de groep waartoe hij behoort? In Wiersma's termen: welke beweging wordt hier in gang gezet, waardoor de identiteit losgemaakt wordt van haar vanzelfsprekende essentie, die plaats maakt voor een veel onzekerder existentie?

Mozes brak los uit verstarde principes en vastgelegde structuren. Hij kreeg daartoe een kans door een farao die zich niet hield aan het traditionele religieuze patroon dat als basis van de dictatoriale macht der farao's gold. Die farao hield het niet en nu ging de erfenis over op een vreemd volk, dat niet gebonden was aan de oude structuren. Daar wekte het monotheïsme veel weerstand toen eenmaal duidelijk werd dat het veel van het individu vergde. Deze stap naar volwassenheid wordt maar al te vaak onderbroken door weerstand en tijdelijke regressie. Dat is, symbolisch, de moord op de vader.

Freud merkt op dat het allemaal een identiteitskwestie is en hij laat zijn neurosenleer los op de vorming van de joodse religie. Mozes gaat de confrontatie aan en hij wekt een enorme weerstand. Pas door de dood heen, de dood van de vader, van Mozes, komt het inzicht. Verering van deze leider die geofferd is, leidt tot het behoedzame leiderschap van elk autonoom individu. Hierin gaat het meer om begeleiding van mensen onder elkaar dan om de collectieve identiteit die een leider als Hitler belooft.

In dit schijnbaar religievijandige geschrift staat Freud dichter bij de religie dan ooit eerder in zijn werk. Hij ontdoet de religie alleen van elke zweem van etnisch superioriteitsgevoel. Misschien ook daarom: Mozes als Egyptenaar. Deze humane leider komt nota bene uit het vijandelijke kamp. Een slimme en zelfs geestige zet van deze oude Jood.

Daarin nu lijkt Freud op Bonhoeffer. Zij beide zijn er op uit hun identiteit te hervormen nu ze leven in een wereld waar de barbarij hoogtij viert, waar de leider de mensen hun identiteit afpakt en daarmee de mogelijkheid tot groei en ontwikkeling van ieders eigenheid. Daartoe moet je teruggaan tot de bron, vinden zij.

4. Bonhoeffer

Toen Dietrich Bonhoeffer zijn brieven aan zijn vriend Bethge schreef, verbleef hij in de gevangenis Tegel van de Gestapo in Berlijn. Ook hij zocht naar zijn wortels en hij schreef over Jezus en God. Hij zocht naar een geheel nieuwe interpretatie, die hij niet-religieus noemde. Wat Freud met Mozes deed, deed Bonhoeffer met Jezus. Beiden zoeken als redliche intellectuelen naar de humaniteit in een tijd van neergang van de verworvenheden van Renaissance en Verlichting. Het Avondland staat in brand en het is zaak de identiteit van de Europeaan te redden. Een identiteit die oorspronkelijk door jodendom en christendom bepaald is. Nu zovelen hun heil zoeken bij de Führer, nu men massaal volmacht geeft aan een misdadiger voor wiens misdaden men blind is, moet echt gezocht worden naar de oorzaken van deze algemene verdwazing. Bonhoeffer roept op tot een herinterpretatie van theologische en bijbelse begrippen. Jezus' identiteit moet opnieuw gedefinieerd worden. Deze kan onmogelijk gelegen zijn in metafysisch-dogmatische waarheden. Identiteitshervorming is dringend gewenst. Waarom? De stichter van het christendom moet, net als die van het jodendom, in zijn oorspronkelijke bedoeling en context begrepen worden. Pas dan kan de identiteit van mensen die in zijn naam opereren kritisch bekeken worden.

Bonhoeffer pleit voor de joodse oorsprong van de nieuwtestamentische verhalen en voor een nieuwe waardering van de transcendentie van Jezus (van Hoogstraten, 126-147). In feite gaat het om een herwaardering van de leidersfiguur, de ambtsdrager die, ook politiek gezien, de plaatsvervanger van Christus in zijn aardse werkelijkheid is. Het woord komt dan in de plaats van het zijn, existentie in plaats van essentie. Dat Woord is dus heel cruciaal: het is de stimulans om je eigen verantwoordelijkheid te nemen en je wil te heroveren op usurpators. De gevolgen liegen er niet om. Wie Christus los maakt, hem bevrijdt van zijn domesticatie, legt ongekende krachten bloot. De onderdaan bevrijdt zich immers van zijn onderdanigheid, besluiteloosheid, heteronomie. Zelfs de leer en de feitelijke machtspositie van de nazi's lopen gevaar niet langer geloofd en geaccepteerd te worden.

Jezus moet in feite van zijn Deutschtum bevrijd worden. Kijk je goed naar de identiteit van de lutherse Duitsers - die massaal door de knieen zijn gegaan voor de Führer - dan zie je een beeld van Jezus dat losgemaakt is van de oorsprong, het volk Israël, de Joodse erfenis. Bonhoeffer tracht met zijn vragen over de betekenis van Christus voor ons, heute, een dam op te werpen tegen de vloed van etnische identiteitsclaims die Duitsland, Oostenrijk en in feite heel Europa overspoelen. Dit lijkt vergezocht maar is het niet, mits men religie beschouwt als verbeelding, als onafscheidelijke stem die de menselijke verhoudingen als een schaduw begeleidt (van Hoogstraten, passim).

Maar, zoals Freud Israël moest helpen haar zelfhaat en haar onbegrepen etnische vooringenomenheid te overwinnen, zo moest Bonhoeffer vechten tegen een christendom dat zichzelf volkomen verkeerd begreep. Hij moest zijn lutherse erfenis bezien. Dat lukt hem maar zeer ten dele. In feite vecht hij tegen een identiteit die reeds door Luther van de Joden gestolen was en die bij hem, Luther, leidde tot fel antisemitisme. Dat bleef door de eeuwen heen een smeulend en soms oplaaiend vuur, tot het in de dagen van Bonhoeffer een uitslaande brand werd.

Bij Luther staan de individuen in dienst van een goddelijke 'heilsgeschiedenis'. De bijbelschrijvers zijn totaal in dienst van de Christus. Hij is de van God gezonden Messias, die 'moest komen'. Het oorspronkelijk geheel eigen, contextgebonden, geluid van de bijbelschrijvers gaat teloor. Daarmee verliest ook de kern van de monotheistische religie van Israël haar identiteitsvormend potentieel. Als Bonhoeffer zich in zijn cel concentreert op de betekenis van Christus dan gaat het om deze ver reikende aspecten van zijn door en door Lutherse denken, in de context van een totaal geperverteerd leiderschap in Duitsland. Daarom nu Luther en in het bijzonder zijn antisemitisme.

5. Luther

Luther heeft door een aantal samenhangende activiteiten een buitengewoon grote invloed uitgeoefend. Ik onderscheid drie clusters. Naast zijn bekende oppositie tegen Rome (1) ontwikkelde Luther een politieke theologie (2) - of misschien beter: een politiektheologische theorie - die bekend is geworden onder de naam twee rijken leer (ook wel twee regimenten of twee zwaarden leer genoemd). En hij werkte aan een enorm vertaalproject (3): hij vertaalde de bijbel in het Duits en leverde er meteen een hermeneutische sleutel bij, die tot slechts één, christocentrische, interpretatie kon leiden. In het geheel van deze veel omvattende activiteiten moet zijn antisemitisme worden geplaatst - een uitvergroting ad absurdum van wat onder de mensen leefde (Süss 2006, 141 en passim).

Luther wordt wel een vroegmoderne of vroegburgerlijke denker genoemd. Dat slaat op taal, samenlevingsstructuur en koloniserende activiteiten. De zelfstandig opererende moderne westerse mens (burger) eigent zich graag toe wat hij nodig meent te hebben. Geld wordt hierbij meestal meteen genoemd. Hier gaat het mij nu eerst om een andere toe-eigening: die van het heilige boek van de Joden, inclusief de exclusieve interpretatie ervan. Waarmee dat Joodse boek werd opgeëist als exclusief heilig boek van het christendom.

Dit gebeuren is zo belangrijk en heeft dusdanige gevolgen, dat een vergelijking met het veroveren van een land op zijn plaats is, inclusief het ideologisch bezetten, de toe-eigening van religieus en cultureel erfgoed. Dit helpt om Luthers antisemitisme te kunnen volgen. Wie een land bezet en de macht in handen wil houden, moet streng optreden. Wie niet luisteren wil moet maar voelen. Vroeger waren verbanningen van een groot deel van de populatie geen ongewoon verschijnsel. Naast verbanningen werd (en wordt nog altijd) op ruime schaal genocide toegepast. De doodswens aan het adres van de Joden past in dat kader.

5.1 Identiteitsvorming

Het heilige boek is essentieel voor identiteitsvorming. Het christendom heeft een heilig boek dat uit twee delen bestaat. De Joodse bijbel is geannexeerd en tot eerste deel van de christelijke bijbel gemaakt. Het is in christelijke kring niet populair om in termen als annexatie te spreken. Wie deze annexatie ook nog met antisemitisme verbindt, wordt al gauw voor gek verklaard. Het is dan ook niet niks: antisemitisme als structuurelement van christelijke identiteitsvorming.

Maar toch, wie probeert langs deze weg tot een identiteitshervorming te komen, ontkomt er niet aan om de christelijke interpretatie an sich op de helling te zetten. Daarmee is het hart van de christelijke dogmatiek gemoeid. Juist bij Luther is hier een vrijwel onbespreekbaar pijnpunt aan de orde. Ik doe een poging om alles in logische volgorde te doordenken.

Wie waren die oorspronkelijke 'bewoners' van de verhalen uit het Oude Testament en waarom is de overname door anderen aan te duiden als annexatie? Israël heeft eeuwenlang gewerkt aan de bron van zijn godsdienst. Het betreft een identiteitverschaffende en -bevestigende activiteit. Diepgaande ervaringen zijn in de teksten overgeleverd. De lezer en luisteraar delen in het lijden en de vreugde, de treurzang en de bevrijdingsdans, de wijsheid en de wanhoop. De verhalen over schepping en gebod, over oordeel en zegen laten de ontwikkeling van een genuanceerd godsbeeld zien. Zij hebben gedurende eeuwenlange overlevering, bewerking en uiteindelijke canonisering een plaats gekregen. Het gaat om een boek, waarin Israëls worsteling met zijn identiteit als godsvolk aangrijpend vertolkt wordt. Tenach heet het boek en het is duidelijk in eerste instantie een boek - een bibliotheekje - van en voor de Israëlitische stammengemeenschap (in de verbeelding, in feite gaat het om Juda/Joden). Waar die stammen zich ook bevinden - deze verzameling verhalen: Torah, profetieen en wijsheid zal altijd de kern van hun bestaan blijven.

Dit door en door Joodse boek nu is in de tijd van de opkomst van het christendom in het Romeinse rijk tot 'Oude Testament' voor de christenen geworden. Bij Luther verscherpte een en ander zich. Zijn duiding van het Oude Testament was om zo te zeggen gestigmatiseerd door zijn christologie. Nu werd ten volle duidelijk wat de naamsverandering van Hebreeuwse bijbel in Oude Testament eigenlijk betekende. Het Nieuwe Testament gaf de toon aan. Dat was het verhaal van een nieuw verbondsvolk, volk van God, dat steunde op een nieuw concept van God. Het oude is afgesloten, voorbij, tenzij het verwijst naar wat komt: een nieuw, definitief handelen van God met de mensen - waarvoor je dus in het Nieuwe Testament moet zijn.

In deze vicieuze cirkel gaat het heel persoonlijk toe: het individu gelooft en wordt gered. De mensen die weigeren te geloven in de Messias van de christenen, missen de heilsboot. Zij kunnen gemist worden als kiespijn. Of ze moeten zich bekeren en hun Hebreeuwse bijbel als Oude Testament aanvaarden en ervaren, of ze moeten uit de weg worden geruimd. Men kan geen mensen om zich heen hebben die dezelfde bijbel claimen als hun eigen bron, die niet heen wijst naar het nieuwe - dat definitief heerst.

5.2 Antisemitisme als onteigening

Ziehier in een nutshell het Lutherprobleem. De Schrift als land dat veroverd is en definitief bezet zal blijven - voor zover het van de veroveraars afhangt. Je krijgt dan de gekste verhalen over de per definitie onbetrouwbare oorspronkelijke bewoners die het, eveneens per definitie, nooit zullen accepteren dat hun land, hun erfgoed, hun bron van identiteit, bezet is. René Süss tekent Luthers scheldkanonnades op en hij beschrijft de ontkenning of bagatellisering ervan door zijn volgelingen. Opvallend is de bewijstrant in Luthers geschrift Over de joden en hun leugens waarvan Süss een eigen vertaling levert (289-502): de kritiek die in de Joodse bijbel op het gedrag van het volk wordt geleverd wordt gebruikt om zelf, als Christenen, de Joden te veroordelen!

Langzaam maar zeker komen zo de achtergronden in beeld van de uit angst en radeloosheid ingegeven uitroeiingdrang bij leiders als Luther, waarvan diens bijbelmisbruik getuigt. En van de idee dat men werkelijk een gode welgevallige daad verrichtte door de Joden te kleineren en af te snijden van het gewone leven, het christelijke leven. We kunnen Luthers bijbelarbeid omschrijven als de kartering van het veroverde land. Zonder goede kaarten kom je als bezetter nergens. In feite staat Luthers bijbelarbeid in dienst van de in letterlijke zin vorming van een nieuw land: het niet door Rome beheerste Christelijke Avondland. Wie hier even bij stilstaat, ziet dat we in feite te maken hebben met een tweede fase in het 'ontromeiniseringsproces' van het Westen. Na de militair-politieke in de 4de en 5de eeuw moest nu de kerkelijk-politieke teloorgang volgen. Zelfmoord van een Rijk in verval: Luther werd er uitgezet, inwendige kritiek werd niet geduld.

Maar met die heilige antipaapse arbeid - zijn eerste grote project - mocht Luther de andere vijand niet vergeten. Die leek wel overwonnen, maar hij was overal actief aanwezig. Dat moest - in apocalyptische tijden - wel aanzetten tot razernij van apocalyptische proporties. De kinderen van het licht moesten die der duisternis nu eindelijk definitief overwinnen.

Hoe apocalyptisch het ook toeging bij de wisseling der tijdperken in Europa, we kunnen ook nuchter vaststellen dat Luther als vroegburgerlijk denker met één been in de feodale en met het andere in de nieuwe tijd stond. Dat riep om een zich uit feodale verhoudingen emanciperende maatschappijvorm, waarin vertegenwoordiging door Bürger in de vorm van ambten een rol kregen. Ondertussen moest het geheel wel een duidelijk christelijk karakter krijgen, of behouden. Hierbij moest voorkomen worden dat er weer een kerkstructuur zou ontstaan die het hele leven zou willen beheersen en die dus duidelijk politieke ambities koesterde. Die fase was met het eerste project verlaten en men moest nu verder.

De oplossing vond Luther in een strikte Woordtheologie en in de daarmee samenhangende twee-rijkenleer. Christus was de middelaar tussen God en mens en hij dient op aarde gerepresenteerd te worden. Omdat Hij het vleesgeworden Woord van God is, moet bekendmaking van zijn wil plaatsvinden via het Woord - geschreven en verkondigd. Het Woord roept: mensen worden geroepen tot hun taak, hun ambt. Christus regeert op aarde via dragers van dat ambt. Voor een deel waren dat dragers van het zwaard. Luther ging uit van de zwaardmacht. Er was een gebied waar het politiek-militaire zwaard orde op zaken moest stellen: de overheid. En er was een gebied waar het geestelijk zwaard gehanteerd werd. Dat was het beeld van de macht van de ambtsdrager die geestelijk regeerde. Beide gingen over leven en dood. De eerste in het perspectief van de tijdelijkheid en de tweede in het perspectief van de eeuwigheid. Die beide moesten onderscheiden worden, maar ze moesten elkaar ook aanvullen (Duchrow 1983, Thompson 2007, 190).

5.3 Antisemitisme als identiteitsstrijd

Om te komen tot de christianisatie van de maatschappij zoals Luther die voor de geest stond was het nodig dat het evangelie zo zuiver mogelijk werd verkondigd. Iedereen moest, omdat het geloof door de woordverkondiging tot stand kwam, een zo zuiver mogelijke exegese en interpretatie hebben. Het beeld dat de mensen van God hadden moest synchroon lopen en het moest op een voor ieder acceptabele manier worden verkondigd. Dan zouden de dragers van de ambten zich als echte vertegenwoordigers van God kunnen gedragen. De zonden zouden dan onderkend en opgebiecht kunnen worden en men zou uit genade kunnen leven. Dat nu zou de best denkbare samenleving garanderen.

De Joden waren de grote spelbrekers in dit concept van de ideale christelijke samenlevingsvorm. Zij erkenden Christus niet en ze hielden er nu volgens Luther oude, achterhaalde, opvattingen op na over God en zijn volk, zoals in Tenach verteld. Eigenlijk konden Joden dus geen ambten bekleden. Hun handelen was sowieso uiterst verdacht omdat ze van geen kant voldeden aan het beeld dat Luther had van de verantwoordelijke ambtsdrager.

In eerste instantie geloofde Luther nog wel in de mogelijkheid om Joden tot het christendom te bekeren. Maar zij bleven een apart slag (pas veel later ras genoemd) dan de gewone mensen. Hun bekering was niet genoeg. Wie kon zeggen of het oprecht gemeend was? Luthers bekeringsdrang sloeg om in regelrechte haat. Hij verlangde er naar om van deze stoorzenders in het mooie concept van de christelijke samenleving definitief verlost te zijn (Süss, b.v.79-85, Thompson, 196/7).

Zo hangen die aspecten samen: de annexatie van het Joodse boek, een essentieel deel van de Woordtheologie en Gods heilseconomie. De Christusheerschappij over de hele werkelijkheid, via ambten en rijken. Dit is de voorstelling, de verbeelding, die Luther en de zijnen van de nieuwe wereld hadden. Zij stelden zich hun tegenstrevers, hun vijanden even vreselijk en verachtelijk voor als ze hun eigen ideale voorstelling liefhadden en koesterden. Hun voorstelling was een patent middel tegen angst dat het allemaal toch fout zou lopen met de mensheid. De breuk met de moederkerk moeten we psychologisch niet onderschatten. De onzekerheid is groot en hierdoor wordt het vijandsbeeld sterk gevoed.

Luther had metafysische concepten nodig om vriend en vijand, medegelovige en vijand van het geloof te spotten. Dat waren God en duivel, licht en duisternis. Kinderen van de duivel probeerden de zaak van Christus voortdurend en op de meest geraffineerde manier te ondermijnen. Daarom was kennis van de verborgen listen en raadslagen van groot belang.

Luther moest de ongelovigen-per-definitie wel als zijn grootste vijanden gaan beschouwen, omdat ze Gods heilsplan in de weg stonden. Ze waren dus eigenlijk vijanden van God. Een Jood verketteren was feitelijk het oordeel van God voltrekken. Zij immers stonden de kern waar alles om draaide in de weg: de totaal op Christus georienteerde uitleg van de hele bijbel. Zij claimden iets wat er, in Gods heilsplan met de mensen, niet meer was. Zij leefden dus a-synchroon en dat kon niet getolereerd worden.

Joden werden, kortom, gezien als een bedreiging voor de identiteit van de christelijke volkeren. Weet men hoezeer de religie deel uitmaakt van de identiteit, dan is duidelijk dat de Joden een gevaar vormden. Latent speelt mee dat christenen hun identiteit ontleend hadden aan het Joodse geloof. Omdat echter eerder van onteigening dan van lening gesproken kan worden, ligt de neiging om de Joden op te sluiten in getto's en om ze uit te roeien voor de hand. Op een vreemde manier komt dit motief in de 20ste eeuw terug in de rassenleer. Dat is een hoofdstuk apart, maar zeker is dat die niets te maken heeft met de religieus-politieke opvattingen uit de 16de eeuw.

6. Bonhoeffer en Freud

Bonhoeffer heeft moeite met zijn vanzelfsprekende identiteit als Duitser en christen. Als de oorlog in volle gang is, zegt hij te hopen dat Duitsland de oorlog verliest en hij pleit voor een teruggave van het oudtestamentische landschap aan de oorspronkelijke bewoners. In beide gevallen stelt hij zijn eigen identiteit onder kritiek en werkt hij dus aan een identiteitshervorming. Hij pleit voor een geheel nieuwe interpretatie van het Nieuwe Testament door het Oude Testament terug te geven aan de Joodse erflaters. Dat gebeurt allemaal indirect, door te pleiten voor een omkering: niet langer het Oude Testament (Tenach) interpreteren vanuit het Nieuwe maar de tegenovergestelde richting nemen. Daarmee wordt een begin gemaakt met de onteigening van Luthers onteigening zoals hiervoor beschreven.

Het is een aarzelend begin, weinig ingevuld en slechts een stem uit miljoenen die nog volop in de ban zijn van Luther, de oervader. Maar als begin is het van groot belang en het zet een onomkeerbaar proces in gang: identiteitshervorming van een religieuze traditie. Een traditie die in zichzelf is opgesloten, kan bevrijd worden door eens wat beter naar haar vermeende erfvijanden te kijken. Als blijkt dat je identiteit krampachtig gebaseerd is op vijandschap, dan is er iets grondig mis. Je zit dan vast in de metafysica van het vijandsbeeld. Zeker als die vijand je vanaf het begin vergezelt als een soort noodlot dat bepalend is voor jouw specifieke identiteit. Zo was Mitsrajim, Egypte, als erfvijand bepalend voor de joodse identiteit als het bevrijde godsvolk. En het christendom zag de Joden net zo. Freud en Bonhoeffer nu verbinden de traditie waaruit zij voortkomen met de vijand: Mozes was een Egyptenaar en Jezus was een Jood. Dat kun je een beslissende stap op weg naar een fundamentele identiteitshervorming noemen.

Hiermee zijn we terug bij het dialogisch bestaan waarbij Wiersma zich aansluit. Deze benadering van identiteitshervorming maakt korte metten met erfvijandschap als basis. Het is een verkeerd collectief beleven van identiteit-in-afhankelijkheid. Een herijking van de oorsprong in Freuds en Bonhoeffers zin kan de aantrekkingskracht van het vijanddenken in jodendom, christendom en islam te kijk zetten. Dan kan in deze drie tradities een Wille zur Macht ontwikkeld worden die zijn heil niet afhankelijk maakt van het doden van de vijand. Het etnische vijandsbeeld, gekoppeld aan de ontkenning van de vrije individu - kroonjuweel van de Verlichting, want idealiter vrij van alle etnische voorprogrammering - kan dan eindelijk als enig overgebleven eindtijdelijke draak de zevenvoudige kop worden afgeslagen.

Het voortgezet onderzoek waarmee dit verhaal begon zal zich moeten richten op de consequenties van de voorgestane herinterpretaties. Het verlaten van stereotype vijandsbeelden betekent bij voorbeeld dat elke dualistisch-apocalyptische geschiedenisopvatting moet worden bestreden. Christus wordt dan een Joodse wijze die de beste weg ten leven wijst. Dat is een route die nogal wat verschilt van de bloedige heilsweg van Christus Koning. We komen dan in de buurt van de identiteit en route waarvoor Wiersma pleit.

Literatuur:

-Bonhoeffer, Dietrich, Widerstand und Ergebung, München: Kaiserverlag, Neuausgabe 1970

-Duchrow, Ulrich, Christenheit und Weltverantwortung. Traditionsgeschichte und systematische Struktur der Zweireichenlehre, Stuttgart: Klett-Cotta, 1983

-Edmundson, Mark, De dood van Sigmund Freud. Het vitale belang van Freud voor onze tijd, Amsterdam: De Arbeiderspers, 2008

-Ferry, Luc, Beginnen met filosofie. Met andere ogen kijken naar je leven, Amsterdam: Arbeiderspers, 2007

-Freud, Sigmund, Der Mann Moses und die monotheistische Religion, (Studienausgabe Band IX) Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch, 1982, 455-581

-Hoogstraten, Hans Dirk van, Versteende religie. Essay over enkele essentiele elementen in de islamdiscussie, Vught: Skandalon, 2007

-Süss, René, Luthers theologisch testament. Over de Joden en hun leugens, Amsterdam: VU University Press, 2006

-Thompson, Deanna A., Martin Luther (1483-1546), in: Kwok Pui-lan a.o., eds, Empire and the Christian Tradition: New Readings of Classical Theologians, Minneapolis: Fortress Press 2007, 185-200

-Wiersma, Jurjen, Een wiel dat draait. Over ethiek en identiteits(her)vorming, Vught: Skandalon, 2007

Summary

In 2005 Professor Wiersma's Ph.D. student René Süss shocked the (Lutheran) world with his dissertation on Luther's anti-Semitism. Combining some of his claims with his supervisor's thought on shaping and reshaping identity, Van Hoogstraten tries to overcome the paralyzing effects of the general indignation concerning Süss's book. He uses Nietzsche's concept of Will to Power, which inspired both Freud and Bonhoeffer in their in-depth investigation of identity in a time of authoritarian collectivism. These great thinkers were ready to profoundly criticize their own tradition. The breathtaking and fundamentally promising way they do this can truly help to overcome ethnic ideology.