Hans Dirk van Hoogstraten

Verschenen in het kwartaalblad VrijZinnig, jg.5 (2012), nr.1 (thema: 'Vrije wil')

Kinderen van een niet-bestaande God

Vroeger was het vaste prik om de stand van iemands geloof te toetsen met de vraag: 'geloof je dat Jezus Gods zoon is?'. Wie bevestigend antwoordde zat wel goed qua orthodoxie. Wie dat niet deed heette vrijzinnig of humanist. Die zat fout. Nu komt een derde mogelijkheid naar voren: 'Ja, ik geloof dat Jezus Gods zoon is, maar ik geloof niet dat God bestaat'. Dat was een ondenkbaar antwoord, onzin, quatsch. Je kon wèl zeggen dat Jezus niet de zoon van God was, maar niet dat hij dat wel was, doch dat er geen God was. Het was de grote verdienste van de zogenaamde secularisatietheologie (jaren '60 van de vorige eeuw) dat deze nieuwe wijze van denken en spreken mogelijk werd.

Er waren al veel langer barsten in een vanzelfsprekend en algemeen gedeeld geloof in het bestaan van God, maar binnen kerk en theologie kon dat nu net niet gezegd worden. Wie dat zei verliet de kerk en stond geboekt als atheïst. Of als humanist, als socialist, als heiden - maar in ieder geval niet als christen. Vandaar de verwondering over een dominee die zich atheïst noemt (alom) en over het feit dat hij niet door de kerk uit zijn ambt wordt gezet (de dominee zelf). Toch hebben de mensen die zich hierover verwonderen de ontwikkelingen binnen kerk en theologie niet goed bijgehouden. Dat de secularisatie ook daar zijn sporen nalaat in een directe samenhang van mens- en godsbeelden moge uit het volgende blijken.

God en de vrije wil

Klaas Hendrikse staat met zijn jongste boek God bestaat niet en Jezus is zijn zoon (2011) in een naoorlogse traditie die via auteurs als John A.T. Robinson (Honest to God, 1962) teruggaat op de zogenaamde dialectische theologie. De bekendste vertegenwoordigers hiervan zijn Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) en Karl Barth (1886-1968). Je kunt misschien beter van 'dialogische theologie' spreken, want waar het om gaat is een vrije dialoog van vrije mensen. Daarbij kun je een almachtige of/en alomtegenwoordige God die de dialoog steeds frustreert niet gebruiken.

Het beeld van God dat wij hanteren mag de menselijke autonomie niet in de weg staan. We hebben het dan over de menselijke vrije wil als vrij en onbevangen oordeelsvermogen. Deze bredere betekenis komt mooi naar voren in de latijnse term 'liberum arbitrium' (arbiter: scheidsrechter). Augustinus (4de eeuw) en Erasmus (16de eeuw) schreven beide een studie met de naam De libero arbitrio (steeds vertaald als: 'Over de vrije wil'). Hun opvatting van vrijheid is beperkt door het onbeperkte godsbeeld dat zij hanteren. Maar de vraag naar de vrije wil is er - zo vroeg al. Die kan zelfs Luther met zijn De servo arbitrio (Over de slaafse wil, 1525) niet ongedaan maken.

Het godsbeeld reduceren is een ding, non-existent verklaren is nog heel wat anders.

De negatieve indicatie van de godsnaam: 'God bestaat niet' komt dus niet uit de lucht vallen. In een klap worden genoemde frustrerende godsbeelden de wereld uitgeholpen. Maar gooi je zo niet het kind met het badwater weg? Het godsbeeld reduceren is een ding, non-existent verklaren is nog heel wat anders. Dit bezwaar wordt bezworen door de nadruk op het zoonschap van Jezus. Karl Barth begon hiermee een kleine eeuw geleden door te stellen dat je uitsluitend iets van God kunt weten en over God kunt zeggen via Jezus. In de zoon zie je het dialogische karakter van God die zich in Jezus laat kennen als partner in een verbond.[1] In dialoog dus.

Barth vertegenwoordigt een frisse wind in tijden dat geloof en kerk zich op een vreselijke manier compromitteerden met fascisme en nazisme door bij voorbeeld de vrije wil op te vatten als de volkswil die gestuurd wordt door de wil van de Leider (Führer) - die op zijn beurt de goddelijke wil uitvoerde.

Bonhoeffer pleit vanuit de gevangenis voor een veel radicalere breuk met de oude godsbeelden dan Barth voorstond. Hij heeft het over een geheime discipline (disciplina arcani): voorlopig maar helemaal niet over God praten, maar alleen het juiste doen[2].

Luther en Erasmus

Op het ogenblik ligt de vrije wil wederom onder vuur, zij het dit keer zonder godsbeelden. Toen ik het boek met de titel De vrije wil bestaat niet van Victor Lamme in handen had[3] moest ik denken aan Luthers boek Over de slaafse wil. Krijgt de reformator na zo'n vijf eeuwen support van een hedendaagse hersenonderzoeker? Is collega Swaab een nieuwe Luther? Soms zou je het denken als wij de professor op ons tv-scherm horen zeggen: 'Hier sta ik, ik kan niet anders, wegens de feiten die ik constateer als ik onder het menselijk schedeldak kijk'[4]. Luther echter keek diep in de menselijke ziel (vooral zijn eigen ziel) en constateerde dat wij geheel afhankelijk zijn van Gods genade. Erasmus had in zijn boek Over de vrije wil nog gezegd dat dat wel meeviel, want dat je in de ruimte van de Kerk goed met God kon samenwerken. En dat de menselijke wil dus in bepaalde zin wel vrij was.

Om tot een ander mensbeeld-inclusief-godsbeeld te kunnen komen was de ruimte die de kerk in de nadagen van de middeleeuwen bood niet geschikt. De menselijke geest werd er niet echt vrijgelaten. De geest - vaak als vogel voorgesteld - mocht vrij rondvliegen, maar wel binnen de hoge ruimten van de kathedralen. Dat gold overigens zowel voor de menselijke als voor de heilige geest.

Luther werd in de ban gedaan en eenmaal buiten de kerkruimte kon hij vrij ademhalen. Hij zocht en vond zichzelf als vrij subject door zich te verbeelden in een persoonlijke relatie met God te staan. Zo vertegenwoordigt hij de moderne mens in een pril stadium. Vier eeuwen later bereikte Bonhoeffer zijn positie in een voortgaande dialoog met Luther. Voor hem is er een directe samenhang tussen menselijke autonomie en heersend godsbeeld. We kunnen hier spreken van een dialoog die uitstijgt boven de wetten van tijd en plaats. Het betreft een verandering in mentaliteit van het christelijke Avondland dat vastliep in achterhaalde mens- en godsbeelden.

Transcendentie

Hendrikse pleit voor een waardering van het ietsisme, in verband met het oermenselijke besef van transcendentie. In menselijke daden wordt die transcendentie soms duidelijk. Zo kan hij zeggen: : "Ik heb Jezus niet nodig om in God te geloven, maar als voorbeeld van iemand die God heeft 'geleefd', helpt hij mij om zo te leven dat God kan 'gebeuren'." (p.133) Zo is men kind van God.

Wie zich kind van God noemt moet inderdaad goed weten dat God niet bestaat.

Men moet niet te gering denken over het 'iets' dat zich manifesteert in daden van navolging (om in termen van Bonhoeffer te spreken). Ikzelf zou er toch 'iets' meer invulling aan geven. Hoe je het ook draait of keert, voor veel mensen 'bestaat' God weldegelijk, hetzij letterlijk, hetzij figuurlijk. Er is een samenhang tussen de subjectieve beelden van mensen en de objectieve ('versteende') vormen van religie die zich voordoen. Sommige mensen zien zelfs de Bank als Kerk en de Arena als Kathedraal. Mede door dit soort instituties wordt het menselijk oordeelsvermogen gemanipuleerd.

Wie zich kind van God noemt moet inderdaad goed weten dat God niet bestaat. Dan kunnen ongelukken als die welke de ideologisch overvolle twintigste eeuw te zien gaf wellicht voorkomen worden. Om het wat joodser te zeggen: de ruimte waar men G'd zou verwachten is leeg. Kinderen van een niet-bestaande G'd krijgen zo de ruimte om G'd te verbeelden. Vanuit hun eigen, geinspireerde, oordeelsvermogen.

Hans Dirk van Hoogstraten

[1] Barth hanteert meestal de term 'Bundesgeschichte', tegen de achtergrond van de 'Heilsgeschichte'. Die leidt hem overigens af van de moderne tijd. Daarom is hij geen vriend van de secularisatietheologie.
[2] Zie de brieven van 30 april en 5 mei 1944 in Verzet en overgave.
[3]. 2011 Zie verder de bijdrage van Wim Wattel aan dit nummer over deze materie.
[4] Dit is meer dan een bon-mot: wie zich met dit soort vragen bezig houdt doet er goed aan zich te realiseren hoeveel het gekost heeft om te komen tot het concept van een vrije wil.